In de bakker op de hoek

Was het Wim? Of Henk? Je hebt jezelf voorgesteld, maar de vroege ochtend liet je woorden door mijn oren sijpelen als water in een vergiet. Wat ik nog wel weet is dat ik míjn naam noemde en je de hand schudde. Je duwde een koude homp vlees in mijn hand. Oud, gerimpeld. De warmte had al z’n biezen gepakt.
Of was het Kees? Je naam ben ik vergeten, maar onze ontmoeting ging verder dan voornamen. Wat je zei is me bijgebleven, heeft groeven gesmeed in mijn herinneringen als de lijnen die in jouw gezicht staan. Daar, in de bakker op de hoek van de straat. De tweede en derde wachtende in de rij. Nog voor de koffie aan een brood halen, jij dacht vast hetzelfde. De bakker met de vriendelijke dames achter de kassa. Een glimlach is gratis, en extra warm in deze tijd van het jaar.

Je vuurde je halve waarheden in sneltreinvaart op mijn slaapdronken hoofd af

Je was leraar wiskunde geweest en had jaren lesgegeven. Je ouders hadden rijkdommen vergaard, van zo’n omvang dat er geen voorstelling van te maken was. Je was piloot en ook nog eens software-ingenieur. Je propte met een sneltreinvaart halve waarheden in één zin en vuurde ze op mijn slaapdronken hoofd af, dat alles gelaten onderging.
‘Ja, meneer, vertelt u meer, meneer.’
Omdat mijn beurt nog niet was geweest had ik alle aandacht voor je. Ondertussen krabde de twijfel aan de hersenwindsels in mijn achterhoofd: vloer- of tijgerbrood?
Het had ook wel Jan kunnen zijn. Je hebt het me gezegd, maar ja, je hebt me zoveel gezegd. Zo sprak je over een verleden als muzikant, of was het  muziekdocent? Dit detail moet ik je schuldig blijven. Enthousiast overhandigde je me je e-mail adres en huidige verblijfplaats. Of ik nog eens langs wilde komen, dan zouden we verder kletsen. Want hier in de bakker hele verhalen met elkaar delen was ook zo wat. Daarin gaf ik je gelijk, maar dat station was al lang en breed gepasseerd, meneer.

Ik vergeet het nooit, tussen de croissantjes en halfjes spelt bracht je een aubade, a capella

Je droeg een doos, dat is niet gebruikelijk. Ooit heb ik zelf zo’n doos gehad, vroeger.
‘Weet je wel wat dat is, jongen?’
‘Jawel, meneer, dat is een schoenpoetsdoos. Kijk, daar boven op dat ijzer zet je een schoen vast en dan gebruik je de poets uit de doos.’
Zijn ogen glunderden.
Ik hou het op Piet, al was het dat zeker niet. Onze ontmoeting is alweer een tijdje geleden, maar ons afscheid vergeet ik nooit meer. Om je kwaliteiten als muzikant te bewijzen besloot je, a capella tussen de croissantjes en halfjes spelt, een aubade te brengen. Je stem beefde door de ruimte en snoerde alle gedachtes de mond. Als de dood van de zenuwen, maar dapper zette je door.
Ik moet eerlijk zijn, Piet: het klonk nergens naar. En toch heb ik nooit zo iets moois gehoord, daar in de bakker op de hoek van de straat.