De geheime hut, ergens in het stille bos van Zernike
Een goede raad en een gouden tip leiden de wandelaar naar het mysterieuze bos op Zernike waar zich een geheime hut moet bevinden. Die hut is niet te vinden, wel veel andere vreemde zaken.
De Hanze adviseert werknemers al jaren om de lunchpauze te gebruiken voor een wandeling. Oké, het spreekwoord zegt: goede raad is niet kwaad. Lunchwandelen, wandelen in de lunchpauze, dat doen we dan maar eens, waarom ook niet? Een tip leidde naar de T-splitsing op het eind van het Zernikepark (leuk weetje voor de onwetenden: het Zernikepark is geen park, maar een straat).
Wie op die T-splitsing links afslaat, bewandelt De Deimten, wie naar rechts gaat, loopt op de Grouwelerie.
Boven de dichtbegroeide haag steken camera’s uit die je als argwanende ogen op steeltjes zeer scherp in de gaten houden
Hoewel het Zernikepark overduidelijk uitkomt op een T-splitsing, kun je aan het eind van het Zernikepark ook gewoon rechtdoor lopen, over een breed pad van platgetreden gras. Rechts van dat pad schermt een hoge groene haag het daarachter gelegen gebied af van nieuwsgierige blikken. Wél te zien is dat zich op dat terrein een soortement kassen bevinden. Wat er in die kassen gebeurt mogen wandelaars en ander voetvolk kennelijk niet weten. Boven de dichtbegroeide haag steken camera’s uit die je als argwanende ogen op steeltjes zeer scherp in de gaten houden.
Het graspad loopt dood op een verticaal betralied hek. Dood? Nee, één van de hekken fungeert als deur, een open deur zelfs. Een mansbrede kier biedt toegang tot het daarachter gelegen bos. Bos is wel een groot woord voor een stukje groen van ongeveer 200 bij 200 meter, maar vooruit, niet muggenziften nu.
Het modderpad dat zich langs de randen van het bosje slingert is vet en zompig
Hier, ergens tussen de bomen, zou zich dus een hut moeten bevinden, een bescheiden onderkomen, een schuilplaats tegen weer en wind. Een wijkplaats voor een dakloze? Een stropershok? Of is het gewoon een ontmoetingsplek voor hangjongeren met een voorliefde voor beklemmende omgevingen?
Beklemmend is het zonder meer. Het modderpad dat zich langs de randen van het bosje slingert is vet en zompig. Er staan talrijke voetafdrukken in, soms zijn er zelfs de afdrukken van fietsbanden in te zien. Het bos is omgeven door sloten, wat een zeker gevoel van benauwenis opwekt.
Bovendien, een klein bos dat omgeven is door sloten en weide… dat is de definitie van… een pestbosje. Dit zou warempel een pestbosje kunnen zijn, een plek waar de boeren vroeger hun aan de veepest (miltvuur) bezweken beesten begroeven. Voordat ze krengenkuil met grond bedekten, bestrooiden ze de kadavers met ongebluste kalk, wat moest helpen tegen de verspreiding van de dodelijke bacterie. Maar miltvuur is moeilijk te temmen, het blijft wel tweehonderd jaar in de bodem rondwaren. Eeuwenlang wisten alle boeren en buitenlui dat ze met een wijde boog om deze verdoemde plaatsen heen moesten lopen.
Er liggen verdacht veel bladeren op de grond, maar in die bladeren hoor je geen ritseling, je ziet er geen rimpeling in
Is dit zo’n pestbosje, vraagt de benauwde wandelaar zich af. Waarschijnlijk niet, daarvoor is het bos namelijk te groot. Maar waarom zijn hier dan zoveel bomen gesneuveld? Op iedere twee bomen die er staan, ligt er wel één omver. Het lijkt wel of hier een storm heeft huisgehouden.
Als dit geen miltvuurbos is, waarom is het hier dan zo stil? Er liggen verdacht veel bladeren op de grond. Maar in die bladeren hoor je geen ritseling, je ziet er geen rimpeling in, er is geen dier te bekennen. In het hele bos niet, trouwens. Ja, eentje, gedurende deze lunchwandeling zie ik hier zegge en schrijve één vogel. Een bonte specht die zich in al zijn kleurenpracht langs een beukenboomstam naar beneden laat vallen. Vlak voordat hij de grond raakt schiet hij omhoog en verdwijnt tussen de struiken en heesters. Dan is het weer stil.
Hier is niemand, maar het voelt wel zo… van wie is deze kleding?
Waar is die hut? Nergens te zien. Ook niet vanaf het asfalt van de Paddepoelsterweg. Terug in het bos is er ineens kleur in de bomen. Is het de specht? Nee, het zijn kleren. Aan de onderste takken van een bijna van zijn gebladerte ontdane esdoorn hangen sportspullen, een joggingbroek, een trainingsjack, twee shirts, waarvan eentje zo rood als de vlek op een spechtenkop.
Hier is niemand, maar het voelt wel zo. Van wie is deze kleding? Achter het walletje van nog geen meter hoog bevindt zich een poel. Er is geen mensenwerk aan af te zien, maar misschien zijn het de restanten van een drenkplaats voor vee die boeren hebben aangelegd. Boeren, of de monniken van het klooster van Selwerd dat hier een paar eeuwen geleden niet ver vandaan stond. Maar dat is verleden tijd, misschien is deze poel inmiddels de wasplaats van de hutbewoner.
Wie heeft die kleren hier opgehangen? Is het de eigenaar van de sportkleding? En waar is die hut? Nergens te bekennen, zoals hier sowieso niets te bekennen is. Een poel zonder waterdieren, geen vis, geen vogel. Alleen de stilte, zelfs de wind geeft op dit uur geen thuis.
Sneller dan verwacht doemt het hek met de open deur weer op. Een paar meter daarvoor hangt een zaadsilootje aan een boomtak. Zo’n groene met gaas. Er zitten geen zaden meer in. In dit bosje is dus wel degelijk dierlijk leven, je ziet ze alleen niet, die dieren.
Die hut is hier ook niet. Geen spoor ervan, zelfs. Terwijl die tip nog wel vergezeld ging van een landkaart met exacte locatie en een overduidelijke foto (zie helemaal bovenaan). Daarop staat een bouwsel, een hut, waarvan je je moeilijk kunt voorstellen dat het kan worden verwijderd zonder sporen achter te laten.
Het is wonderlijk, maar laten we het geen wonder noemen, daarvan volgen er deze maand nog meer dan genoeg. Maar een raadsel, ja, dat is het wel.
Foto (boven), aangereikt door Davey Schippers
