M’n opa

Ik heb een leuke opa. Een klein mannetje, een tikje versleten en krom, maar nog best kwiek. Hij heeft zeker al tachtig jaar op de teller staan, z’n precieze leeftijd weet ik even niet, en een hoofd vol verhalen. ’t Is een vitaal mannetje, één die let op het aantal calorieën dat hij per dag naar binnen werkt, omdat hij vindt dat-ie te veel groeit. Niet in de lengte welteverstaan.

Na het overlijden van opa’s dochter en vrouw is er weinig meer over

Iedere dag gaat hij aan de wandel, voor een boodschap of zomaar even een rondje door het park om het lichaam in vorm te houden. Ik zal niet zeggen dat hij in topvorm is. Het lopen gaat best traag en hij heeft ook een buikje. Toch vind ik het allemaal maar wat. Op die leeftijd nog zo begaan zijn met je gezondheid. Ik denk dat het mij op m’n tachtigste geen ene flikker meer kan schelen wat ik in mijn lijf prop. Maar misschien wordt gezond leven wel belangrijker naarmate je minder te leven hebt.
Goed, voor een deel is z’n aandacht voor gezondheid te danken aan het sobere feit dat het een bezigheid is, afleiding. Na het overlijden van zijn dochter en vrouw (in die volgorde) is er weinig meer over. Op zo’n hoge leeftijd is de rek een beetje uit de sociale cirkel. Familie en vrienden zijn dood, dement of pestirritant. Mijn opa is opgegroeid tijdens de barre jaren van de Tweede Wereldoorlog. Een tijd die, in zijn verhalen, voor een kind best geinig was.

Dikke schijt aan de avondklok, lekker de hort op en dan keihard wegrennen als de moffen kwamen

Hij was nog een knulletje toen het begon. Uren kan hij het hebben over de slimmigheden die zijn ouders en de mensen in het dorp, Westerlee, bedachten om het leven iets comfortabeler te maken. Of beter gezegd, in welke bochten mensen zich moesten wringen om te overleven. Als hij erover praat, zie je het ondeugende kind van toen in hem. Zoals die keer dat hij en zijn kameraden geweren en ander ongein uit een neergestort vliegtuig haalden. Mijn overgrootvader was woest geworden toen hij er thuis mee kwam.
Of die talloze keren dat ze dikke schijt hadden aan de avondklok en lekker de hort opgingen, en dan keihard wegrennen als de moffen eraan kwamen.
De oorlog liet hem achter met een vreemde mix van respect voor en schijt aan gezag. De jaren erna waren simpel. Werken bij de smid en naar school tot z’n veertiende. Daarna altijd noest aan het werk gebleven, totdat hij wegens een hernia werd afgekeurd. Het was inmiddels ook echt wel genoeg geweest met al die arbeid.
Als er iets gemonteerd, gedemonteerd, geïnstalleerd, gerepareerd of anderzijds bewerkt moes worden, was hij je man. Nog steeds. Na zijn pensioen wist hij het niet los te laten. Nadat z’n vogelhuisje herhaaldelijk uit zijn tuin was geplukt door dronken jeugd, zette hij het ding doodleuk onder stroom en verbond hij er een alarm aan. Knettergek, maar wel charmant. O ja, en bekend staat hij om zijn koffie. Een venijnig hard bakkie dat op het puntje van je tong bijt. Heerlijk. Ik heb echt een leuke opa.