Ga naar de inhoud
Diversiteit Sinan Cankaya foto: Marnix Hoekman

Sinan Çankaya over diversiteit: ‘Niemand is neutraal, niemand is kleurenblind’

Antropoloog Sinan Çankaya sprak op Diversity Day over uitsluiting van minderheden. Dat gebeurt soms direct en expliciet, maar ook subtiel en zelfs goedbedoeld.

De microfoon gaat naar Melike Turhan. De vierdejaars Social Work zit ergens midden in de Gerardus de Sanzaal. Ze wil graag vertellen wat haar opviel in de scène die ze net op het scherm zag. ‘Het was in het klein wat we voortdurend in de samenleving zien: iedereen die hier wil zijn, moet zich aanpassen, anders hoor je er niet bij.’
Die scène kwam uit de tweedelige documentaire Terug naar de Akbarstraat over de Kolenkitwijk in Amsterdam. Een nieuwe bewoonster heeft een eetclub voor de buurt opgezet. Ze wil daarmee de verschillende bevolkingsgroepen nader tot elkaar brengen. Het menu houdt rekening met van alles en nog wat, van glutenvrij tot halal. Maar helaas, het is geen succes. De enige buurtbewoners die er aanschuiven zijn wat je autochtonen van een zekere leeftijd zou kunnen noemen. Hoe komt dat?

Ieder mens bekijkt de wereld vanuit zijn eigen gezichtspunt en iedereen heeft z’n eigen blinde vlekken

De zaal, zo’n honderd aanwezigen, weet genoeg aanwijzingen te vinden in het gedrag en de uitlatingen van de vrouw. Ze straalt nogal uit dat alles wat zich op en rond de eetclub afspeelt op háár manier moet gebeuren. Zij stelt de norm en uiteindelijk trekt dat alleen mensen aan die diezelfde norm hanteren.
Het zijn deze subtiele, vaak onbedoelde vormen van uitsluiting waarover Sinan Çankaya op 7 oktober spreekt op de Hanze. Çankaya promoveerde op diversiteit in de politie-organisatie, een deel van het veldonderzoek deed hij op de achterbank van een politiewagen in Amsterdam. ‘Als we stilstonden voor een rood stoplicht, staken sommige voorbijgangers hun duim op. Zo van: goed dat jullie er weer eentje te pakken hebben.’
Ieder mens bekijkt de wereld vanuit zijn eigen gezichtspunt en iedereen heeft z’n eigen blinde vlekken. De aanwezigen zagen in het eetclubfragment meerdere, misschien wel tientallen, andere verhalen. ‘Er waren mensen die de goede bedoelingen zagen waar anderen racisme zagen.’

‘Meneer Konst is een racist’, zei Sinans klasgenote, ‘hij is de vice-voorzitter van de Centrumpartij’

Iedereen heeft blinde vlekken en het is niet eenvoudig om ze bij jezelf te herkennen. Ook Çankaya ontkomt er niet aan, zo blijkt uit een veelzeggende, zo niet onvergetelijke, anekdote uit zijn eigen leven. Op het Elshof College in Nijmegen kwam de toen dertienjarige Sinan te laat bij Geschiedenis. Meneer Konst zei: ‘Jongen, als jij zo doorgaat… word je nooit een ambtenaar.’ Een vreemde opmerking, maar Sinan hoorde wel de onmiskenbare neerbuigendheid die de leraar erin liet doorklinken. Na de les liep hij beduusd weg. Een klasgenote liep hem achterna. ‘Meneer Konst is een racist’, zei ze, ‘hij is de vice-voorzitter van de Centrumpartij.’ Toen Sinan bij de decaan een klacht over het voorval wilde indienen, zei die dat niet nodig was omdat meneer Konst had beloofd om voortaan geen vervelende opmerkingen meer te maken.
Toen Çankaya voor zijn boek Mijn ontelbare identiteiten contact opnam met oude klasgenoten, bleek dat zij zich helemaal niets van het voorval herinnerden. Wel herinnerden ze zich dat Konst allerlei andere opmerkingen had gemaakt. Eén van de klasgenoten had veel van die uitlatingen zelfs genoteerd. Het waren overduidelijk blijken van seksisme, anti-semitisme en sympathie voor het nazi-Duitsland. ‘Dat was dus helemaal aan me voorbijgegaan, terwijl ik er toch echt bij was geweest.’ Het was die blinde vlek.

‘Wie tot de norm behoort, hoeft nauwelijks over zichzelf na te denken’

Over blinde vlekken wordt te weinig getwijfeld, ook door mensen die diversiteit een warm hart toe dragen. ‘Mensen die denken dat ze al helemaal af zijn, dat zij anderen niet uitsluiten.’ Wie niet twijfelt aan zijn eigen vooroordelen, is eerder geneigd om ze te na te leven. Niemand is neutraal, niemand is kleurenblind. Çankaya: ‘En wie tot de norm behoort, hoeft nauwelijks over zichzelf na te denken.’
Iedereen moet zich bewust zijn van zijn vooroordelen en blinde vlekken. Vervolgens kan hij daar wat aan doen, kleine alledaagse dingen. ‘Heel mijn leven vraagt men mij waar ik vandaan kom. Uit Nijmegen, zeg ik dan. Nee, waar kom je echt vandaan? Uit Nijmegen, zeg ik dan weer. Nee, ik bedoel: waar komen je ouders vandaan? Uit Turkije, dus.’ Als je duizend keer die onschuldig klinkende eerste vraag heb gehoord, weet je wat erop gaat volgen en herken je er de onderliggende boodschap in: jij mens van elders, jij zult er nooit echt bij horen.

‘Hij leeft nog’, dat was Sinans eerste gedachte toen hij de stem van meneer Konst hoorde in de garderobe van zijn oude school, waar Sinan Çankaya mocht spreken bij de viering van het veertigjarig bestaan. Iemand had Konst gevraagd of hij zijn jas wilde ophangen. ‘Ik weet niet of dat verstandig is’, zei meneer Konst en keek Sinan indringend aan, ‘er lopen hier misschien onbetamelijke mensen rond.’
Meneer Konst heeft zonder meer een bijdrage geleverd aan Çankaya’s kijk op de wereld, maar die valt in het niet bij die van mevrouw Kockelkoren, de lerares Frans. Die was aardig en geïnteressseerd, iemand die je zonder meer kon vertrouwen, ze zag het talent in alle leerlingen. ‘Door haar ging ik mijn best doen. Dat ik later in Parijs ging studeren heeft zeker met haar te maken.’

Foto (fragment): Marnix Hoekman